Interviews
Lia, je maakt nu al meer dan 35 jaar eigen voorstellingen. Welke krachtlijnen doorkruisen en sturen je huidig choreografisch onderzoek?
Het is in Brazilië dat ik al meer dan 35 jaar lang voorstellingen maak, en dat feit werkt diepgaand door in mijn onderzoek. Onze leef- en werkomstandigheden zijn niet te vergelijken met die van de Europese kunstenaars. Bij ons bestaat er geen deeltijds werkregime, er is geen sociale zekerheid en geen pensioenregeling voor kunstenaars. Als je niet werkt, heb je niets. En dat is niet enkel zo voor scheppend werk; die onzekerheid is overal aanwezig in het dagelijks leven. In een gewelddadige stad moeten we onze kinderen niet enkel aanleren hoe ze de straat moeten oversteken, maar ook hoe ze moeten omgaan met angst. De staatsschool, die vaak al tekort schiet, voegt daar nog bijkomende struikelblokken aan toe. En naarmate ik ouder word, stel ik mij steeds meer vragen over wat het betekent te blijven werken, ouder te worden en in een dergelijke omgeving kennis door te geven. Die werkelijkheid is al van bij het begin aanwezig in mijn werk. Al die vereisten zijn geen obstakels, maar aanknopingspunten. Ze moedigen ons aan om weerstand te bieden, om met amper middelen dingen te blijven uitvinden, om samen voortdurend nieuwe manieren te zoeken. Maar ze zijn ook een bron van energie, creativiteit en solidariteit. Ik zeg vaak dat bij ons de hoop een daad is en geen gevoel. Je moet hem dag na dag actief vrijwaren, en die strijd voedt uiteindelijk mijn dans. Ik heb scheppende arbeid nooit gezien als een avontuur dat je alleen onderneemt. Sinds mijn beginjaren heb ik geprobeerd plekken voor dans op te bouwen, eerst het Panorama Festival, later de school in Maré. Dat is altijd gebeurd vanuit een collectieve benadering. Een werk krijgt enkel betekenis als het dialogeert met andere kunstenaars, met andere generaties, met een levendige omgeving. Dan wordt iets maken een manier om zich te verzetten en tegelijk iets door te geven.
Met Borda sloot je net een trilogie af die begon met Fúria en Encantado. Wil je iets meer vertellen over het ontstaan van dit nieuwe stuk?
Ik maakte Fúria en Encantado toen het heel slecht ging in Brazilië: Fúria onder het Bolsonaro-regime en Encantado in volle pandemie. Die twee ervaringen hebben onze manier van werken nadrukkelijk beïnvloed. De twee stukken dragen de schaduw mee van die jaren: het politieke geweld, de angst, de onzekerheid, maar ook de impuls om weerstand te bieden. Met Lula's terugkeer kwam er een einde aan een donkere periode. Maar toen dook er ook onmiddellijk een andere vraag op : hoe kunnen we dingen blijven scheppen na die jaren van teleurgang, hoe kunnen we ons een nieuwe horizon inbeelden? Daarom heb ik de spelers een beeld voorgesteld: een ontmoeting tussen twee planeten, Fúria en Encantado, die met elkaar botsen. Wat blijft er over na die schok? Welke nieuwe levensvormen zouden uit die explosie kunnen ontstaan? Zo zijn we de personages van Borda beginnen bedenken
Hoe heb je het onderzoek voor Borda aangevat?
Zoals vaak het geval is, heb ik eerst boeken gelezen. Voor Borda koos ik auteurs die aandacht besteden aan het scheppen van literaire personages. Die teksten hebben me goed geholpen bij het maakproces: hoe geef je een verzonnen personage een stem, een aanwezigheid, een innerlijke logica? Ik deelde wat ik las met de spelers, soms door passages voor te lezen, soms gewoon door een gesprek op gang te brengen. Zo heb ik hen denkpistes kunnen aanreiken en hun onderzoek kunnen aanmoedigen. Daarnaast wilde ik in ons werk andere wereldbeelden een plaats geven, vooral die van de autochtone Braziliaanse volkeren. Hun kosmologieën leggen bijzondere verbanden tussen mensen, niet-menselijke wezens en onzichtbare werelden. Het is van essentieel belang rechtstreeks naar hen te luisteren, zonder de filter van het westerse denken. Want deze volkeren bestaan, scheppen en delen hun ideeën al duizenden jaren lang. Die aandacht is niet nieuw voor mij. Mijn vader was journalist, een pionier van het milieubewustzijn in Brazilië in de jaren 1970. Hij leerde mij al heel vroeg ook andere stemmen te horen en na te denken over de banden tussen ecologie, cultuur en politiek. Met de neerslag van wat we gelezen hadden en met deze verhalen hebben we dan maandenlang in de studio gewerkt. Zo'n periode is heel kostbaar: je kan je onderdompelen, dingen uitproberen, falen, herbeginnen. De negen dansers zijn onderling heel verschillend. Sommigen van hen werken al twintig jaar met mij, anderen pas twee of drie jaar. Die mengeling van vertrouwdheid en nieuwigheid voedt het scheppingswerk. Samen hebben we procedures bedacht, oefeningen doorlopen, de personages geleidelijk aan vormgegeven. Elk van hen heeft een specifiek wezen kunnen opbouwen, met een eigen manier om in de wereld te wonen. Daarna kwam de vraag naar hun ontmoeting: hoe leven die wezens naast elkaar? Hoe reizen ze samen?
In de muziek van Fúria en Encantado school een krachtige, bijna overheersende energie. In Borda dringt eerst de stilte zich op … Kan je iets meer zeggen over het geluid in Borda?
De benadering van geluid in mijn stukken is sterk geëvolueerd. Tussen 2009 en 2018 werkte ik bijna altijd in stilte omdat ik graag de geluiden van de lichamen hoorde, de ademhaling, de wrijving, de voetstappen. Daarna, met Fúria en Encantado, is de muziek heel nadrukkelijk teruggekeerd, als een bijna opdringerige aanwezigheid. In Borda wilde ik teruggrijpen naar dat ervaren van de stilte, maar dan radicaler. De eerste veertig minuten is er geen muziek te horen. We hebben er diverse muziekgenres in uitgetest, maar die stuurden de blik te veel, ze drongen een bepaalde interpretatie op. Ik zoek net het omgekeerde: ik wil de toeschouwer de vrijheid bieden zijn eigen beelden te bedenken, zich door de leegte te bewegen. De stilte is geen neutrale leegte. Ze vermoeit, ze ontregelt, maar ze opent ook de weg naar een andere manier van waarnemen. We zijn vandaag verzadigd met geluiden, voortdurend in verbinding. Veertig minuten lang in stilte en in het donker in een theaterzaal zitten, wordt een intense ervaring. Na die stille overtocht barst de muziek opeens los, als een feest. Het is een omslag van de energie, een collectieve ontlading. Ze voert de lichamen mee en ontketent een gedeelde vreugde. Voor dat feest wilde ik vertrekken van geluidsarchieven die Mário de Andrade in 1937 verzamelde toen hij Brazilië doorkruiste om volksmuziek en -dansen op te nemen. We kozen voor een dans vol drama uit het noordoosten, de Cavalo marinho, waarin tientallen personages optreden. Dierenfiguren, hybride wezens, buitensporige schepsels en mensen vermengen zich om samen te vieren. Met dat ijkpunt bedacht elke danser een eigen wezen, en daarna hebben we geprobeerd ze allemaal te verweven in een gemeenschappelijk kader. Samen met de muzikanten hebben we de oude opnamen ontrafeld, de stemmen van de instrumenten gescheiden en er een nieuwe compositie mee gemaakt. Deze muziek, oud maar toch levend, verbindt het verleden met het heden. Ze herinnert ons eraan dat in Brazilië een feest nooit enkel vermaak is. Het is een manier om je te verzetten, je staande te houden ondanks de tegenslagen, leed om te buigen naar levenskracht. Die impuls wilde ik in Borda binnenbrengen: een feest als een daad van verzet, waarin vrolijk zijn een andere manier wordt om te strijden.
De kostuums hadden altijd al een essentiële functie in je stukken. Is dat ook zo in Borda?
In mijn werk is een kostuum nooit enkel een decoratief detail. Men heeft me vaak gevraagd waarom ik mijn spelers soms naakt laat optreden en dan weer met een overdaad aan kleren. Voor mij is dat geen tegenstelling: naaktheid kan ook een kostuum zijn en een kostuum een vorm van naaktheid. Elk stuk heeft eigen noden. Voor Borda was het duidelijk: ik wilde via de kleding de herinneringen van het gezelschap bovenhalen. We hebben dus al de koffers geopend waarin ik kostuums en voorwerpen van de afgelopen vijfendertig jaar bewaarde en alles op de grond uitgestald, als een immens geheugen dat zich voor onze ogen ontvouwde. Met dat vertrekpunt is iedereen beginnen fantaseren, de dingen een nieuwe wending geven, ze aanpassen. De spelers zijn hun verzonnen personages beginnen aankleden en ze hebben ook samen figuren bedacht. Al snel is zo het beginbeeld van de voorstelling ontstaan, een volledig wit organisme waarin elk lichaam afhangt van de anderen om vooruit te geraken. De danseressen en dansers dragen verschillende lagen kostuums, sommige zwaar, andere broos, en ze moeten samen strategieën bedenken om elkaar af te lossen, elkaar te ondersteunen, vloeiend te bewegen ondanks die belemmering. De partituur is heel precies, op de millimeter na, en eist concentratie en samenwerking. Stilaan bevrijden de lichamen zich uit hun omhulsels en onthullen ze feestkledij, fantastische figuren, een explosie van kleur. Die ommekeer, zowel in kleur en energie als met een symbolische lading, structureert Borda. Hij toont hoe een gemeenschap overgaat van eenvormigheid naar uitbundigheid, van stilte naar feest, van dwang naar bevrijding.
Die kostuums zijn een neerslag van vijfendertig jaar scheppend werk. Welke betekenis hecht je aan hun hergebruik vandaag?
Die kostuums hergebruiken, heeft niet enkel een symbolische betekenis. Het is ook een keuze met economische en ecologische drijfveren, die voortdurend aanwezig zijn in mijn werk. Wij hebben al altijd gerecycleerd, geknutseld, getransformeerd. Dat is een ecologisch en economisch verantwoorde manier van werken, maar het is ook een esthetische keuze. Ik investeer de middelen van het gezelschap liever in de mensen en in onze werkruimte dan in dure decors. Iets een tweede leven geven, het anders gaan gebruiken, op een andere manier uitvinden – voor ons is dat een heel natuurlijke werkwijze, want ze stemt overeen met onze dagelijkse realiteit. Maar het was niet de bedoeling dit stuk als een ‘eerbetoon’ te maken. Deze kostuums dragen vanzelfsprekend herinneringen mee, maar we hebben ze nu gebruikt om ze te veranderen en iets verschillends te bedenken, niet om het verleden te herdenken. De geschiedenis die ze vertellen, is levend, ze wordt op het toneel herschreven, vandaag. Zo krijgt Borda een plaats in een levend continuüm: erkennen waar we vandaan komen, maar vooral bedenken hoe we kunnen verdergaan.
Men kijkt vaak door een politieke bril naar je werk. Beschouw je scheppend werk, dans, als een
middel tot verzet?
Ik denk niet dat je dans kan herleiden tot een instrument voor activisme. Ik vind dat de kunst eerst en vooral haar vrijheid moet beschermen: elke kunstenaar moet eigen vormen, beelden, werelden kunnen bedenken zonder opgesloten te worden in een politieke rol of een politiek verwachtingspatroon. Die vrijheid lijkt mij fundamenteel, want ze opent een ruimte waarin het mogelijk wordt blikken anders te richten, gevoeligheden een verschillende wending te geven, andere werelden te doen verschijnen. Tegelijkertijd kan ik niet vergeten waar ik leef en van waaruit ik spreek. Stukken maken in Brazilië betekent onvermijdelijk een werkelijkheid trotseren van geweld, ongelijkheid, sociale en politieke instabiliteit. Ik ben opgegroeid onder een dictatuur, ik heb deelgenomen aan studentenrevoltes. Even geloofde ik dat de democratie ons een stabiele toekomst zou schenken, maar ik begreep al snel dat de strijd altijd blijft duren en dat niets ooit verworven is. Die herinnering en die ervaring doordringen onvermijdelijk mijn benadering van dans. Ik weet dat men mij in Europa vaak als een geëngageerde kunstenares ziet, en ik begrijp dat wel, maar ik zie mijzelf liever als iemand die werkt voor de kunst. Ik doe mijn werk terwijl ik zo dicht mogelijk bij de realiteit blijf waarin ik leef. Ik besef dat mijn gezelschap en mijn school niet hadden kunnen blijven bestaan zonder de steun uit Frankrijk en Europa, en nochtans kies ik ervoor in Rio te blijven, in de favela Maré. Want daar vind ik mijn kracht, de dringende noodzaak en de stemmen die mijn scheppingsdrang voeden. Als mijn stukken een politieke weerklank krijgen, is dat waarschijnlijk omdat ze uit die context ontstaan. Ze dragen in zich de geschiedenis, de kwetsbaarheid, het weerwerk van de dansers en danseressen die me vergezellen. Ze vertellen op hun manier dat het mogelijk is om ondanks alles iets te scheppen, een collectief te laten bestaan en dansen te bedenken te midden van de ruïnes.
Wilson Le Personnic
vertaling Martine Bom