Steve Paxton
Some English Suites - Creatie 97
Data
ma 22 sep 1997 - 20:00
di 23 sep 1997 - 20:00
do 25 sep 1997 - 20:00
vr 26 sep 1997 - 20:00
locatie
Rode zaal
De naam van Steve Paxton is gaandeweg een natuurlijke associatie bij de term improvisatie geworden. Na een vijfjarige carrière bij de Merce Cunningham Dance Company, neemt hij aan het begin van de jaren zestig, samen met Trisha Brown, deel aan de onderhand historische performances in de (voormalige) Judson Memorial Church in New York. Dans reducerend tot haar eenvoudigste, meest fundamentele vorm - het stappen, het wandelen -, zetten ze er de sporen uit van wat later 'postmoderne dans' genoemd wordt. Net tien jaar later richt Trisha Brown haar eigen gezelschap op en slaat Steve Paxton definitief de weg in van de improvisatie, in groeps-, duet- maar vooral in solovorm. Na zevenentwintig jaar verbaast deze achtenvijftigjarige Amerikaan uit Vermont zich nog steeds over de onnoemelijke mogelijkheden die deze dansvorm hem biedt: "Een keer dat je met improviseren bent begonnen, is het moeilijk om er nog van los te komen. Je kan zoveel chaos hebben als je maar wil. Ideeën kunnen misschien uitgeput raken, chaos niet."
In zekere zin behoorde improvisatie altijd al tot het wezen van de dans. Experimenteren met bewegingsmateriaal en choreografische structuren is immers meestal de eerste fase in het creatieproces, zelfs in een conventioneel genre als ballet. Een sterdanseres had in het negentiende-eeuwse ballet de vrijheid de vaste choreografie verder in te vullen met solovariaties. Maar aan het begin van de twintigste eeuw krijgt de figuur van de choreograaf meer autoriteit, niet alleen in het ballet, maar ook in de 'modern dance': de choreograaf, niet de danser, vindt de beweging uit. In de eenentwintigste eeuw, schreef de Nederlandse danscritica Eva van Schaik, nadert het primaat van de choreograaf zijn einde, het zal de eeuw van de geëmancipeerde danser zijn. De jaren negentig zijn er alvast een voorbode van: William Forsythe noemt zijn dansers 'co-auteurs' en bij Steve Paxton is het kopiëren van door een choreograaf voorgeschreven materiaal uit den boze, is dans een stroom waarin men geen twee keer kan baden. Verwacht bij hem geen voorspelbaarheid maar verrassing. Als toeschouwer word je geconfronteerd met het unieke gevoel dat de betekenis van het stuk tot stand komt terwijl je erop zit te kijken, je bent ooggetuige van het creatieve proces. Verwacht geen orde, maar chaos: "Ik kwam uit een erg ordentelijke hoek: die van de Cunningham-techniek en de martiale kunsten. De ordening daarvan wilde ik in vraag stellen. Alles stond er zo zuiver op een rijtje, het leek wel akkerbouw. Ik wilde terug naar de jacht."
In zijn vroegste werk betekende dansen zoveel mogelijk variaties zoeken op dagelijkse bewegingen als eten, drinken, praten, lachen maar vooral wandelen: een gedeelde ervaring van performer én toeschouwer. In het midden van de jaren zeventig ontwikkelde hij een nieuwe dansvorm, de contactimprovisatie. Democratische groepsdansen waarin fysiek contact de motor is van de bewegingsimpulsen. Sindsdien verdeelt Paxton zijn tijd tussen lesgeven in de contactimprovisatie, uitgegroeid tot een volwaardige dansvorm, en solovoorstellingen. Want de intimiteit van een solist tegenover het publiek, de 'Adam en Eva van de dansvoorstelling', is voor hem een noodzaak in een tijd dat hightech en informatiesnelwegen ook een grote anonimiteit met zich meebrengen. In zijn solo's danst hij in een kleine ruimte, met eenvoudige belichting, precies om zijn dansen 'menselijk' te houden, nooit 'bigger than life'.
Jarenlang en wereldwijd improviseerde hij op Bachs 'Goldberg Variations', in een uitvoering van Glenn Gould. Hij speelde het zo'n honderdvijftig keer, steeds weer op zoek naar andere variaties op de veelgelaagde muziek van Bach. Ziet elke dans er dan totaal anders uit dan de vorige? Ja, dacht Paxton in het begin. Neen, weet hij na jarenlange ervaring: het lichaam biedt weliswaar een uitgebreid, maar niettemin beperkt pallet van bewegingsmogelijkheden aan. Paxton heeft het in dit verband over het 'paardenfenomeen': het blijkt dat paarden op de terugtocht van een wandeling steeds de neiging hebben hun eigen voetsporen weer te volgen, ook al is die weg lang niet de kortste. De kern van het improviseren bestaat volgens hem dan ook in het zoeken van steeds nieuwe combinaties maar met hetzelfde spelmateriaal. Choreograferen is, net als schaken, het uitpluizen van alle mogelijke veranderingen en combinaties van de verschillende lichaamsdelen.
Naast een nieuwe creatie - een unieke gelegenheid want veel nieuw werk produceert Paxton niet - staat op het programma in deSingel 'Some English Suites', naar de Engelse suites van Bach, in een uitvoering van Glenn Gould. Het eerste deel werkt als een vlakgom: de basisbewegingen stappen, springen en fladderende armen worden uitgezet. Ze blijven gefragmenteerd. Een hand gaat alleen op zoektocht door de ruimte en keert terug naar het lichaam via de andere arm. Alsof lichaamsverhoudingen geverifieerd moeten worden, alsof hij zich ervan wil vergewissen dat zijn arm wel degelijk aan zijn romp hangt. Scanderende mannenstemmen vullen de ruimte terwijl, steeds luider, de verheven schoonheid van Bach op het publiek wordt losgelaten. Nu pas wordt er voluit gedanst: Paxton loopt het speelvlak rond, doet dat met de onschuld van een klein meisje, maar ook met de gebalde onstuimigheid van een sportman. Het is ontroerend zijn schijnbaar breekbare lichaam zo vrij te zien dansen: zonder enig spoor van spanning is het op elk moment op alles voorbereid. Een vrijheid die er ook is op mentaal vlak: elke behoefte om de schijn hoog te houden of om het publiek te vermaken, is verdwenen. "Wanneer ik het publiek kan doen geloven in wat ik doe, wanneer het gelooft wat het ziet, dan ben ik een gelukkig man", aldus Paxton.