Trisha Brown - Trisha Brown Company
M.O.- If you couldn't see me - Twelve Ton Rose
Sinds zij de laatste keer in deSingel te gast was, in november 1993, wijdde de Amerikaanse choreografe Trisha Brown zich met de nooit aflatende zin voor onderzoek die haar kenmerkt, aan het choreograferen aan de hand van klassieke muziek. Niet voor de hand liggend bij haar. Een groot deel van haar loopbaan maakte ze immers dans, geritmeerd door stilte. Toen zij in 1958 in New York arriveerde, kwam Trisha Brown in een kleine gemeenschap van kunstenaars terecht die met improvisatie bezig waren, en met concepten van toeval en onbepaaldheid experimenteerden. Zij had tapdansen geleerd, ballet, acrobatie, jazz en de techniek van Martha Graham. Zij trok naar de studio van Merce Cunningham waar ze blijvend vriendschap sloot met Steve Paxton.
Parallel aan de ontwikkelingen binnen de muziek, waar de componisten zochten naar de schepping van een nieuwe sonore ruimte, dachten deze 'postmoderne' choreografen eveneens na over de verhouding tussen beweging en ruimte. Net als de tonale muziek oriënteerde en ordende de klassieke dans zijn ruimte: de wetten van de symmetrie en van het Italiaanse perspectief volgend werd het voorplan, en dan vooral het centrum ervan, geprivilegieerd. Slechts bij de 'postmoderne' dans zal het gebruik van het voorplan systematisch ter discussie gesteld worden: de toneelruimte stapte buiten de eigenlijke schouwburg, nam haar intrek in Newyorkse lofts, in openbare ruimtes, trok de straat en zelfs het dak op (zoals bij Trisha Brown). Wanneer deze choreografen na verloop van tijd naar de schouwburgen terugkeerden, werd de ruimte in een traditionele zaal evenmin in een bepaalde richting gestuurd: vele choreografieën kan men vanuit verscheidene gezichtspunten bekijken. Bovendien stelde de dans zich totaal onafhankelijk van het sonore kader op.
Sinds de experimentele jaren zestig ontwikkelde Trisha Brown een oeuvre dat volgens cycli verliep en waarin zij telkens een antwoord zocht op de opeenvolgende vragen die zij stelde. In de periode tussen 1978 en 1986 ontwikkelde zij geleidelijk haar bewegingstaal die bestond uit die typische Browniaanse bewegingen door sommigen vergeleken met een onvaste moleculaire structuur, waarbij het lichaam ingaat tegen de wetten van de zwaartekracht en in een continue beweging de ruimte verkent. Trisha Brown heeft de laatste jaren het voorwerp van haar onderzoek (zij spreekt over haar "travelling focus") verplaatst naar de klassieke muziekpartituren van Bach en Webern, waarvan zij de dieperliggende substantie wil ondervragen. 'M.O.' verwijst naar 'Musikalisches Opfer', het muziekstuk dat Bach in 1747 schreef op verzoek van koning Frederik de Grote, die hem een thema ter improvisatie voorstelde. Op dit thema schreef de componist twee ricercars, een sonate, negen canons en een fuga. 'Twelve Ton Rose' vertrekt vanuit de opussen 5, 7 en 28 van Webern. 'M.O.' en 'Twelve Ton Rose' zijn eigenlijk een aanloop naar 'Orfeo', de opera van Monteverdi die Trisha Brown in de Munt zal regisseren in mei 1998.
Tussen beide polen - de muziek die begeleidt en de muziek die volledig autonoom is - wil Trisha Brown het tussenliggend gebied onderzoeken. "Bij M.O. verhouden muziek en dans zich als een hand in een handschoen. In 'Twelve Ton Rose' is de verhouding veel vrijer. En dat is ook logisch: Webern staat veel dichter bij mijn artistieke thuisbasis: ik heb zelf veel gewerkt met asymmetrie en dissonantie." Zoals Tri-sha Browns bewegingstaal is Weberns muzikale taal uitgepuurd in haar substantie, zuiver abstract, boordevol poëzie en uitdrukkingskracht. Zij bestaat uit een stroom van kleurschakeringen die altijd anders zijn en voortdurend vernieuwd worden, en die in beweging gezet worden door voortdurende, abrupte veranderingen in klanksterkte.
Naast deze twee werken, waarbij de muziek live uitgevoerd wordt, staat op het programma in deSingel eveneens de door haar gedanste solo 'If you couldn't see me' uit 1994. De schilder Robert Rauschenberg met wie Trisha Brown al jaren samenwerkt, suggereerde haar een dans te maken waarbij zij alleen haar rug naar het publiek zou tonen. Het resultaat is een pareltje van fijnzinnige dans, vloeiend en complex, met steeds wisselende punten van oriëntatie, een dans die met ironie de potentieel narcistische en voyeuristische aspecten van de verhouding tot het publiek op de korrel neemt.
Credits
klavecimbel
muzikale leiding
fluit
cello
viool
Meer