Eerst is het lichaam niet meer dan materie in wording, twee polymorfe wezens ontdekken hun eigen lichaam en de ruimte waarin ze zich bevinden. Vervolgens zijn ze samen, met een stoel en een canapé, … gekleed. Alles is concreet en reëel, flarden uit het leven overlappen elkaar. De absurditeit van deze mislukte ontmoeting laat een wrange nasmaak na … Het uitgangspunt van de voorstelling is de hermafrodiet uit Plato's mythe 'Het Feest'. Het is een beetje alsof dat wezen in twee gedeeld werd en op het podium neergezet, als een proefkonijn in een laboratorium, om zijn gedragingen te bestuderen. Door de goden van de Olympus is dat op dezelfde manier gedaan: ze sneden de hermafrodiet in twee en observeerden vervolgens zijn gekronkel. De mythe vertelt dat de hermafrodiet, eenmaal opgedeeld, onophoudelijk zocht naar zijn verloren wederhelft en dat de natuur van de liefde voortspruit uit dit 'drama', uit deze opdeling. Een mooie en tegelijkertijd ook heel gruwelijke metafoor voor de liefde. 'Pas de deux' ontwikkelt zich in een opeenvolging van taferelen en bevraagt op empirische wijze het lichaam in relatie tot zichzelf, tot de ruimte en de tijd, tot de ander en tot het object. De afwezigheid van een sociale gedragscode veroordeelt deze twee individuen tot een naïef en instinctief gestuntel op weg naar enige levenswijsheid, zelfs wanneer ze situaties doorlopen die voor velen onder ons zeer herkenbaar zijn.