Anima Eterna - Koor Collegium Vocale
Buxtehude
In de reeks oude muziek is het koor en orkest van Collegium Vocale een eerste keer in deSingel te gast met een programma dat geheel aan Anthems van Henry Purcell (1659-1695) is gewijd. De term anthem was reeds in de vroege elfde eeuw in voege en betekende zoveel als gezongen gebed. Pas in de eerste jaren van de zeventiende eeuw gebruikte men het woord om een compositie aan te duiden op een Engelse tekst uit de bijbel, een gebedsboek of uit enig ander werk met religieus of moraliserend karakter. (Sinds de First Act of Uniformity (1549) had het Engels het Latijn in de kerk verdrongen.) Men maakte aanvankelijk zelfs geen onderscheid tussen wereldlijke en sacrale muziek, anthems konden dus zowel binnen als buiten de kerk uitgevoerd worden. Daar kwam met de restauratie stilaan verandering in, de anthem werd steeds meer vast deel van kerkdiensten of religieuze ceremonies in Engeland. Purcells anthems gelden als het toppunt en als een overstijgende synthese van alle voorgaande vormen van het genre. Philippe Herreweghe en Collegium Vocale maken een representatieve keuze uit de ruim zestig overgeleverde anthems van de Britse Orfeus en tonen zijn verscheidenheid en experimenteervreugde in de omgang met stem en instrumentatie.
Wat de anthem voor Engeland is, dat is de cantate voor Duitsland. Bij het woord cantate denkt men natuurlijk eerst en vooral aan Johann Sebastian Bach (1685-1750) en men vergeet daarbij dat het genre in Duitsland reeds vóór de Thomaskantor floreerde. Componisten als Samuel Scheidt (1587-1654), Heinrich Schütz (1585-1672) of Johann Hermann Schein (1586-1630) worden gebeurlijk afgedaan als louter voorlopers van Bach. Dat werd ook lange tijd van Dietrich Buxtehude (1637-1707) gezegd. Ten onrechte of om met Jos van Immerseel te spreken: "Buxtehude is geen voorloper meer, hij loopt zelf". Samen met zijn orkest Anima Eterna en het koor van Collegium Vocale vertolkt van Immerseel enkele van de ruim honderddertig bewaarde vocale werken van de organist en Werkmeister van Lübeck. De gekozen cantates zijn zeer menselijke kunst. Tegenover de vroege protestantse dogmatiek plaatst Buxtehude een nieuw soort van piëtistische vroomheid, een eigen mystiek die uitnodigt tot meditatie.
Het Huelgas Ensemble onder leiding van Paul van Nevel zet tijdens twee concerten een grote stap in het verleden. Dat mag geen bezwaar zijn; wie al een concert van Huelgas meemaakte, weet hoe modern die 'oude' muziek soms klinken kan.
Onder de titel Le Chansonnier Mellon belooft Van Nevel muziek van Johannes Ockeghem en de Bourgondische connectie. Tussen omstreeks 1430 en 1550 ontstond een heuse traditie van chansonniers. Dat zijn bundels die variëren qua inhoud (meestal chansons, maar ook dansen, instrumentale stukken, motetten en een enkele keer zelfs delen van een mis), qua gelegenheid (huwelijk of geboorte) en qua persoon voor wie de verzameling bedoeld was (een koning, bankier, edelman, of net zo goed een student aan de universiteit of zelfs een prinses). De chansonniers zijn de uitdrukking van het opkomend humanisme in heel Europa: ze tonen de verschuiving van de muzikale interesse van de kerk naar de profane delen van de maatschappij, adel en burgerij. Centrale figuur Johannes Ockeghem (1410/20-1497) stond ongeveer veertig jaar in dienst van het Franse vorstenhuis. Zijn oeuvre is niet omvangrijk, maar superieur, hij drukte dan ook tot ver in de zestiende eeuw zijn stempel op de componisten in de Zuidelijke Nederlanden en Frankrijk.
Claude LeJeune (1528/30-1600) bleef daarentegen zijn hele leven een solitair in het muzikale leven van het Frankrijk van de zestiende eeuw, al genoot hij na zijn toetreden tot de zogenaamde Académie de Poésie et de Musique van Parijs onder kenners een even groot aanzien als zijn tijdgenoot Orlando di Lasso. Het werk Le Printans dat in uittreksels op het programma van het tweede Huelgasconcert staat, is een verzameling van liederen op gedichten van Jean-Antoine de Baïf (1532-1589), oprichter van voornoemde Académie en voorvechter van een zo groot mogelijke eenheid tussen muziek en tekst. Muziek en vers moesten elkaar ritmisch, metrisch en ethisch(!) op de voet volgen, wat volgens Baïf enkel door de antieke (lees Griekse) versificatie kon gerealiseerd worden. Het resultaat is even bekoorlijk als betoverend. Een verrassing waar enkel Paul Van Nevel een octrooi op schijnt te bezitten.
Werken
Nimm von uns, Herr, du treuer Got, BuxWV78
Der Herr ist mit mir, BuxWV15
Mit Fried und Freud ich fahr dahin, BuxWV76
Jesu, meines Liebens Leben, BuxWV62
Fürwahr, er trug unsere Krankheit, BuxWV31
Herzlich lieb hab ich dich, o Herr, BuxWV41
Credits
muzikale leiding
muzikale uitvoering
koor