Barbara Bonney
Schubert
Is er één grote componist die niet voor de stem, dit meest humane van alle muziekinstrumenten, heeft geschreven ? En heeft hij dan niet gepoogd een deel van zichzelf, zijn liefdes en nostalgieën in die mysterieuze versmelting van woord en klank te vinden ? Het lied, want daarover gaat het in deze reeks, mag dan in wezen een negentiende-eeuwse muziekvorm zijn, op een concertbühne blijft het een levend gegeven.
In het oeuvre van Benjamin Britten (1913-1976) neemt het gezongen woord een primordiale plaats in. Daarvan getuigen zijn talrijke werken met koor (motetten, hymnen en cantates), acht opera's en een kleine tweehonderd melodieën voor solostem. Britten grijpt zowel terug op de traditionele Engelse muziek die hij verrijkt en ontstoft, als op de meest markante voorbeelden onder zijn tijdgenoten (Mahler, dan Bartók, Berg, Stravinsky en Prokofiev in het bijzonder). Hij was geen vernieuwer, maar hij wist door zijn immanent gevoel voor de stem aan de woorden en zinnen hun latente muzikaliteit te ontlokken.
De liederen van Anton Webern (1883-1945) zijn onlosmakelijk verbonden met de hen omringende instrumentale werken. Ze bezitten dezelfde graad aan concentratie, beknoptheid en maximale uitdrukkingskracht met minimale middelen. Meer dan bij andere componisten is de stem hier instrument temidden andere instrumenten; niet ingezet om te ontroeren maar ten dienste van de onderliggende muzikale idee. En daarom natuurlijk weer wel ontroerend.
Beknoptheid, zij het van een geheel ander karakter, is eveneens een kenmerk van het liedoeuvre van Grieg (1843-1907). Absoluut respect voor de intenties van het gedicht dat hij toonzet en een daarmee gepaard gaande scherpe zin voor de taal (het Noors, Deens en Duits) schragen Griegs in verscheidene cycli gebundelde liederen.
Bij Jean Sibelius (1865-1957) denkt eenieder allereerst aan zijn symfonieën. Toch toondichtte hij rond de honderd liederen, het merendeel op teksten in het Zweeds. Sibelius behoorde tot de Zweeds sprekende minderheid in Finland. Bij hem staat de verhouding van de mens tot zijn natuurlijke omgeving centraal, in casu de conflicten of de osmose met de overweldigende melancholie van de noorderse landschappen. De stem is de eerste mediator van de gevoelens, de piano speelt een eerder ondersteunende rol.
Hugo Wolf (1860-1903) tenslotte liet een corpus van om en bij de driehonderdvijftig liederen na. Wolf die met vlagen enorm vlug werkte (één lied per dag, soms meer) zocht steeds naar de meest adequate herschepping van de leefwereld van een dichter (Mörike, Goethe, Eichendorff en Heine) of van een poëtisch universum (Italië, Spanje). Zijn in cycli gevatte liederen hebben elk een eigen dramatische coherentie en plasticiteit. De kern van Wolfs vindingskracht is in tegenstelling tot Sibelius steeds pianistiek: het gekozen gedicht preciseert als het ware het beeld of de sfeer die de piano suggereert. Vele van zijn liederen zijn dan ook mini-opera's.
Werken
Gretchen am Spinnrade, D118, opus 2
Selectie uit 'Mignon Lieder'
Suleika, D720, opus 14
Ganymed, D544, opus 19 nr 3
Abends unter der Linde, D235
An die untergehende Sonne, D457, opus 44
Auf dem Wasser zu singen, D774, opus 72
Der Hirt auf dem Felsen, D965, opus posth. 129
'Ellens Gesang' uit 'Sieben Gësange aus Walter Scotts 'Fraulein am See'', D837
Erlafsee, D586, opus 8 nr 3
Klärchen's Lied, D210
Credits
sopraan
piano
klarinet
in samenwerking met