Budapest Festival Orchestra - Iván Fischer
Op het einde van de zomer van het jaar 1907 maakte Mahler (1860-1911) een van de moeilijkste periodes van zijn leven mee: zijn oudste dochtertje was net overleden, hij kreeg zijn ontslag bij het Wiener Opernhaus en men had een ongeneeslijke hartziekte bij hem vastgesteld. De drie slagen van het noodlot die hij eerder in zijn Zesde Symfonie beschreef, troffen hem nu zelf.
Nog in 1907 kreeg Mahler van een vriend de dichtbundel De Chinese Fluit, naar het Duits vertaald door Hans Bethge. In die gedichten vond Mahler zijn eigen gemoedsgesteldheid terug: bitterheid jegens de dood en een sensuele, haast extatische levensdrang. Er is de eenzaamheid van de mens tegenover de dood, de zucht naar het leven, berusting en opstand, momenten van pure paniek en levensangst wisselen af met lieflijke Chinese taferelen geschilderd met het rietpenseel. Aan het eind van het laatste lied, het magistrale Der Abschied, reiken droefheid en extase elkaar de hand in een passionele lofzang op het aardse leven en de schoonheid van het bestaan. In een brief aan zijn vriend de componist Bruno Walter schreef Mahler vlak voor zijn dood: "Ik sta vis-à-vis de rien, en nu, aan het einde van mijn leven, moet ik leren op te staan en te gaan".
Credits
muzikale leiding
mezzosopraan
tenor
orkest