Horace Tapscott
Twee ronkende namen en een goed bewaard geheim vormen de ingrediënten van de reeks Piano Legends. Pianisten dus, maar geen gewone pianisten. John Lewis, Horace Tapscott en Tommy Flanagan maken elk op hun manier de belofte van het eenmansorkest helemaal waar.
Een legende is John Lewis alleszins. Als een van de bezielers van het Modern Jazz Quartet staat hij al gedurende meer dan veertig jaar in het centrum van de belangstelling. Het is alleen jammer dat het buitengewone succes van dit hechte viertal een lichte schaduw geworpen heeft op zijn solocarrière. Die carrière is nochtans zeer vruchtbaar geweest. Sinds het midden van de jaren vijftig maakt Lewis geregeld eigen opnamen, al zijn die jammer genoeg nog nauwelijks op cd heruitgebracht. Hij werkt dan met ensembles van uiteenlopend kaliber. Daarin is tegelijk plaats voor Paul Gonsalves en Eric Dolphy, voor Jim Hall en Günther Schuller. Aparte combinaties met aparte kleurschakeringen. En dat is typisch want tussen de plooien van zijn gehechtheid aan de traditie ontdek je in Lewis een zelfbewuste modernist. Laat ons niet vergeten dat John Lewis in de jaren vijftig een van de meest fervente pleitbezorgers was van de wervelwind Ornette Coleman, een toen nog door het merendeel van de gevestigde jazzmuzikanten verguisd fenomeen.
In zijn solo-opnamen toont John Lewis dezelfde vanzelfsprekende veelzijdigheid. Hij is geen opvallende nieuwlichter, wel iemand die een goede song op elegante wijze kan savoureren en er steeds verrassende elementen van kan blootleggen. Een groot kunstenaar in zijn achtenzeventigste levensjaar.
De tweeënzestigjarige Horace Tapscott geniet niet dezelfde bekendheid, wat gedeeltelijk toegeschreven wordt aan zijn vrijwillige ballingschap in Los Angeles, vandaag niet echt meer een centrum van levende jazz. Zijn bekendste wapenfeiten bij ons zijn de twee volumes van The Dark Tree, een suite opgenomen voor het Zwitserse label Hat Art. Net zoals zijn recentste - internationaal heel goed onthaalde - cd Aiee! The Phantom toont Tapscott zich hier als een schitterend componist, arrangeur en groepsleider. Minder goed verspreid zijn de opnamen die hij maakte voor Nimbus Records, zeven solo-elpees die in de jaren tachtig verschenen. Als pianist laat hij duidelijke invloeden van Monk horen, enigszins bijgekleurd met donkere maar toch onderhuids vrolijke tinten, een dubbelzinnigheid die een beetje aan Randy Weston doet denken. Tapscott concerteert in deSingel met Roberto Miranda, één van de intrigerendste bassisten van vandaag.
De naam Tommy Flanagan duikt vooral in voetnoten en subteksten op. De pianist uit Detroit heeft zich in de jaren zestig meer dan verdienstelijk gemaakt als begeleider van Tony Bennett en Ella Fitzgerald. Hij heeft een ontelbaar aantal jazzgrootheden gediend en legde daarbij een bijna onwaarschijnlijke bescheidenheid aan de dag. In die mate zelfs dat niemand nog schijnt te weten dat deze man onder meer de toetsen beroerde tijdens legendarische opnamesessies van Sonny Rollins ('Saxophone Colossus') en John Coltrane ('Giant Steps'). Het zit een beetje in zijn karakter, maar het belet hem niet om briljante muzikale momenten neer te zetten. Meesterlijk is Flanagans delicate toucher en zijn natuurlijke ongehaastheid, kwaliteiten waarin hij alleen door Hank Jones geëvenaard wordt. In deSingel treedt hij - eerder tegen zijn gewoonte in - solo op.
Credits
piano
contrabas
in samenwerking met