Jan Michiels
Johannes Brahms (1833-1897) was gedurende zijn hele leven naast componist ook een begaafd pianist. Zo onderbrak hij meermaals zijn componeerwerk om alleen of met orkest op tournee te gaan. Daarbij speelde hij in het begin vooral Bach en Beethoven en pas later zijn eigen werk. Brahms schreef een vijftigtal werken voor piano solo, onderverdeeld in drie periodes. Jan Michiels koos één werk uit iedere periode. In de Variaties op een thema van Schumann horen we de jonge Brahms in een hommage aan zijn vriend Robert. De virtuose Brahms spreekt ons toe in het opus 21 nr 2, Variaties op een Hongaars lied. De Fantasieën opus 116 tenslotte behoren tot de contemplatieve periode van de componist. Brahms, zo lijkt het wel, vertrouwt aan de piano zijn intiemste gedachten toe.
Ook Ligeti (°1923) heeft twee duidelijk gescheiden componeerperiodes: de eerste achter het IJzeren Gordijn en een tweede na zijn vlucht naar het Westen. Hoewel Ligeti veel van zijn eerste werken verloochent, blijft hij de Musica Ricercata uit 1953, met Bartók en Stravinsky als sparringpartners, koesteren. De in 1985 begonnen Etudes pour piano heeft Ligeti naar eigen zeggen geschreven omdat "ik helaas geen fantastisch pianist ben". Een voor Ligeti typische kwinkslag, want de totnogtoe zeventien Etudes behoren tot de beste pianomuziek van de afgelopen vijfentwintig jaar.
Werken
'Invention' voor G. Kurtág
Selectie uit 'Musica Ricercata'
Etudes, Boek I
Selectie uit 'Etudes', Boek II en III
Variaties op een thema van R. Schumann in fis, opus 9
Variaties op een Hongaarse melodie in D, opus 21 nr 2
Zeven fantasieën, opus 116
Credits
piano