Keller Kwartet
van Beethoven - Bartók
Het zestiende strijkkwartet van Beethoven en het zesde van Bartók zijn beide 'laatste werken'. De omstandigheden waarin ze ontstonden zijn bovendien soortgelijk. Beethoven was ziek en kende nijpend geldgebrek. Bovendien was hij zwaar aangeslagen door een zelfmoordpoging van zijn neef Karl, over wie hij de voogdij had. Samen met Karl verliet hij het jachtige Wenen en trok naar zijn broer Johann in Gneixendorff. Daar beëindigde hij in de zomer van 1826, slechts een half jaar voor zijn dood, het zestiende strijkkwartet opus 135. Toch is het werk niet mistroostig van toon, het langoureuze adagio uitgezonderd is het zelfs humoristisch en relativerend.
Bartók's zesde strijkkwartet is het laatste werk dat hij in Europa schreef. Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was hij immers gedwongen naar de Verenigde Staten te emigreren, zijn zieke moeder alleen in Hongarije achterlatend. Die omstandigheden hadden hun weerslag op de algemene teneur van de compositie: diepe wanhoop wisselt af met soms bijtende ironie. Het onverbiddelijke einde verleent het werk een haast profetisch en testamentair karakter. Bartók's derde kwartet vormt een scharnier tussen beide werken. Met zijn micromelodieën was het richtinggevend voor de kwartetliteratuur van de tweede helft van de twintigste eeuw, met name voor de kwartetten van zijn landgenoten Ligeti en Kurtág.
Werken
Strijkkwartet nr 3 in cis, Sz85
Strijkkwartet nr 6 in D, Sz114
Strijkkwartet nr 16 in F, opus 135