Wanderer Trio
Schubert - Martinú - Tsjaikovsky
Het Wanderer Trio opent met het Notturno van Franz Schubert. Anders dan de titel laat vermoeden betreft het hier geen op zichzelf staand werk, maar een adagio uit een trio dat Schubert niet heeft voltooid. De structuur is vrij eenvoudig met slechts twee thema's en toch bekoort het stuk door zijn lichte melancholie en elegant stapritme.
Geen enkele componist uit de twintigste eeuw heeft zoveel pianotrio's geschreven als de in Bohemen geboren Bohuslav Martinú (1890-1959). Het tweede trio H327 behoort tot de meest bevlogen bladzijden uit zijn kamermuziekliteratuur. Het driedelige werk is tegelijk klassiek en modernistisch - zonder de vormstrengheid van de Weense school - en koppelt Latijnse transparantie en Fauréaanse kalmte - Martinú verbleef van 1923 tot 1940 in Frankrijk - aan elementen uit de Tsjechische folklore.
Dat hyperromanticus Peter Tsjaikovsky (1840-1893) met zijn symfonieën, opera's en balletten voortrekker en boegbeeld was van een hele traditie in de Russische muziek is genoegzaam bekend. Minder bekend is dat hij diezelfde rol ook vervuld heeft met zijn kamermuziek. Hoewel zijn productie in deze categorie erg beperkt is - slechts drie kwartetten, een duo, een sextet en het pianotrio - is het oeuvre van zowel Sjostakovitsj als Schnittke ondenkbaar zonder het veldwerk van hun illustere voorganger. Tsjaikovsky schreef het pianotrio opus 50 ter nagedachtenis van zijn vriend, de grote pianist Nicolas Rubinstein. Het alleen al qua omvang verrassende werk - om en bij de vijftig minuten - is eerder elegisch dan tragisch en schuwt door zijn discrete toon pathetiek en gevoelsuitstorting, normaal hét handelsmerk van de Russische componist.
Werken
Notturno voor piano, viool en cello in Es, D897, opus 148
Trio voor piano, viool en cello nr 2 in d, H327
Trio voor piano, viool en cello in a, opus 50