Matthias Langhoff
Ile du salut. Rapport 55 sur la colonie pénitentiaire
Wanneer Matthias Langhoff in 1963 zijn eerste stappen in het theater zet, kent hij uitsluitend de voorstellingen van zijn vader, Wolfgang Langhoff, acteur, regisseur en uitstekend theaterpedagoog. Daags na de Reichstag-brand in 1933, werd deze als lid van de Duitse communistische partij en maker van agitproptheater door de nazi's gedeporteerd. Na zijn vrijlating dook hij met zijn vrouw, de actrice Renate Reiner, clandestien onder in Zürich. Daar werden hun twee zonen geboren, Thomas en Matthias. Na de oorlog keerde het gezin naar Duitsland terug en vestigde zich in het oostelijk deel van Berlijn. Vader Langhoff werd er tot intendant van het Deutsches Theater benoemd, waar hij Brecht en zijn Berliner Ensemble tot 1954 onderdak verleende. Matthias Langhoff was een kind van vier toen hij geconfronteerd werd met een Berlijn dat volledig in puin lag en bezet was door het sovjetleger. Deze eerste indrukken van oorlogsleed en het veel latere ineenstorten van een utopie zullen zijn ganse leven en loopbaan tekenen.
Aanvankelijk veeleer door de scheikunde en de plastische kunsten aangesproken, laat hij zich op tweeëntwintigjarige leeftijd door de componist Hanns Eisler overhalen om te assisteren in het Berliner Ensemble, een collectief waar geen vaste afbakening van taken bestaat. Daar sluit hij een duurzame vriendschap met Manfred Karge, met wie hij tot 1985 bijna alle regies voert. Samen regisseren zij voor het Berliner Ensemble een aantal onafgewerkte teksten van Brecht en Griekse tragedies. In 1969 vervoegen zij de Zwitserse regisseur Benno Besson, op dat moment verbonden aan de Oost-Berlijnse Volksbühne. In 1976 trekken zij definitief naar het westen, waar zij voornamelijk in Bochum, maar tevens in verschillende theaters in Frankrijk gezamenlijke producties opzetten. Behalve gedurende achttien maanden in Lausanne, heeft Matthias Langhoff geen vaste plek meer sinds 1985. Nog eenmaal keert hij naar het Berliner Ensemble terug waar hij in het seizoen 1992/93 codirecteur is, onder meer met Heiner Müller. Steeds wisselt hij van theater, van vertolkers, van publiek. Van zijn brechtiaanse vorming houdt hij, niet-doctrinair, de essentie over: de kunst van de dialectiek en het zichtbaar maken van een theater waarin elke pathos geweerd wordt. Vanuit een duidelijke visie op mens en maatschappij, verenigt hij in zijn stukken steeds twee tijden, die van de handeling en die van de actualiteit. Zijn scenische vondsten, vol van picturale referenties en cinematografische citaten, zijn even radicaal als zijn dramaturgische ontleding. Hij vermijdt gekunstelde esthetiek, hij schuwt de lelijkheid niet. Hij spreekt zonder mededogen over het geweld in de wereld, met de brutaliteit van iemand die elke illusie ontnomen is. Hij wisselt koele luciditeit af met een natuurlijke hang naar het ludieke. Zijn allesvernietigende humor gaat in tegen elke conventie. Vaak onderuitgehaald voor zijn controversiële concepten, beschouwd als theatrale buitensporigheden, maakt hij theater als een mokerslag die doordringt tot in het levend vlees.
Franz Kafka, jurist van beroep, liet vele geschriften na, maar slechts enkele achtte hij zelf voor publicatie vatbaar. Tot de weinige novellen, die hij zelf tijdens zijn leven publiceerde, - hij stierf op eenenveertigjarige leeftijd aan tuberculose - , behoort 'In der Strafkolonie' (In de strafkolonie) uit 1919. Het is een kortverhaal, hilarisch en cinematografisch à la Buster Keaton, over een officier die aan een 'reiziger' die een strafkolonie bezoekt, omslachtig toelichting geeft over het foltertuig waarmee de executie van de gevangene staat te gebeuren. Kafka was een literator en taalpurist. Hij schreef een zuivere, duidelijke en eenvoudige taal, ontdaan van elke gekunsteldheid. In dit bijna ascetische uitzuiveren moet men het ultieme geheim zoeken van de doeltreffendheid waarmee hij vorm wist te geven aan zijn verhalende dramaturgie, aan zijn buitengewone verbeeldingswereld en bovenal aan zijn humor. De grote oorspronkelijkheid van het verhalend proza van Kafka ligt in het feit dat humor in zekere zin in de plaats komt van een psychologie van de innerlijkheid, die traditioneel in dit genre overweegt. Indien bij Kafka al sprake is van absurditeit, neemt dit overal en altijd de vorm aan van humor, soms zelfs burlesk, die voortvloeit uit een afwezigheid van betekenis of veeleer uit tegengestelde en contradictorische betekenissen die zich binnen één en dezelfde scène manifesteren. Deze dissonante en dialectische tegenstellingen zijn constant in zijn werk aanwezig, soms zelfs nadrukkelijk, zij structureren zijn visie op de wereld en zijn schrijfstijl. De vorm die deze humor aanneemt, is die van een quasi theatrale komedie, van een zwarte humor. Het is in de gedragingen en de visualisering ervan dat de humor naar boven komt, door het groteske en het hopeloos incoherente ervan aan te tonen. De paradoxale contradicties die eigen zijn aan de humor kenmerken zich door een voorliefde voor de mimiek, de gestiek, de houding, de manier waarop men beweegt, zoals op een scène of voor de camera. Daardoor is Kafka's werk een kluif voor scenografen en dramaturgen, in dit geval ook voor Matthias Langhoff.
Werken
La Colonie pénitentiaire
Leggio II de la Lontananza nostalgica utopica futura