'Het nut van de nacht' is geschreven als een dialoog voor twee personages, met de kenmerken van een sprookje. De tekst grijpt terug naar een van Jan Fabres favoriete thema's, de nacht. Het mannelijk personage in het stuk is een zoutverkoper. Hij beschouwt het zout dat zijn lichaam produceert als zijn ultieme en tegelijk nutteloze koopwaar. Daarom wil hij niet zweten, want dan gaat dat kostbare goed verloren. Die zoutwinning gebeurt vooral 's nachts, het uitverkoren terrein van de zoekers en de dromers, en het kost hem veel inspanning. Het verloop van het stuk bestaat uit een nachtelijke, toevallige ontmoeting met een vrouwelijk personage, dat zichzelf uitgeeft voor een vlieg. Er ontspint zich een speels-ernstige conversatie. Zij tasten elkaar verbaal af, nu eens omzichtig, dan weer direct. Zij hebben het over het wezen van de nacht, van de droom. Voor de zoutverkoper is de nacht een middel om productief te zijn, voor de vlieg-vrouw veeleer een doel op zich, waarvan je zo kan genieten, een kader om in op te gaan, te verdwijnen in de anonimiteit. Op een ander niveau herken je in de zoutverkoper een metafoor voor de kunstenaar en zijn bestemming, en in de vlieg een individu dat de dag plukt en geen missie koestert. 'Het Nut van de Nacht' is een allegorische confrontatie van twee wereldbeelden. De tekst poneert geen bepaald oordeel, want beide figuren horen paradoxen en een zekere onschuld toe.
Matthias Schoenaerts ging met Jan Fabre samenzitten om deze tekstlezing voor te bereiden.
Deze voorstelling is geannuleerd.